Herinneringen die niemand anders kent
De relatie met je broer of zus loopt als een draad door je leven. Het is een bloedband die je hebt voor het leven en daarmee is het ook vaak de langstdurende band die je hebt. Samen groei je op en deel je herinneringen die niemand anders kent: de geur van het huis uit je jeugd, de vakanties, de ruzies om wie er voorin mocht zitten. En toch merk je, ook als volwassenen, hoe ingewikkeld die relatie kan zijn. Soms voel je nog steeds de oude rivaliteit, alsof de verdeling uit je jeugd nooit helemaal is verdwenen. Jij was misschien de zorgzame, je broer de slimme. En terwijl jullie levens ieder een andere kant opgingen – de één koos voor zekerheid, de ander voor avontuur – lijkt het soms alsof je elkaar daardoor niet meer begrijpt.
Als de grote thema’s zich aandienen
Die verschillen worden vaak nóg zichtbaarder wanneer de grote thema’s zich aandienen. Wie zorgt er voor de ouders nu ze ouder worden? Wie regelt, en wie blijft op afstand? Of later, wanneer erfenissen ter sprake komen, blijkt dat de gesprekken zelden alleen over geld gaan, maar vaak over erkenning en waardering die ooit ontbraken. En soms merk je dat je meer verantwoordelijkheid draagt voor een broer of zus dan goed voor je is. Alsof je er móet zijn, terwijl het je eigen grenzen overschrijdt en – zonder dat je het wilt – misschien ook de ander belemmert.
Eerste leerschool voor horizontale relaties
De dynamiek uit de broers- en zussenrij reikt vaak verder dan je denkt. Het is onze eerste leerschool voor horizontale relaties: hoe we omgaan met leeftijdgenoten, met rivaliteit en samenwerking, en met het innemen van onze eigen plek. Wat daar niet gezien of geheeld werd, dragen we onbewust mee. Oude spanningen of gevoelige thema’s herhalen zich in vriendschappen en liefdesrelaties. Het gevoel “niet serieus genomen te worden” duikt opnieuw op in je werk. En de rivaliteit van vroeger kan, soms onverwacht, weer voelbaar zijn in heel andere situaties in het nu.
Mijn plek naast mijn broer
Als ik iets over mijn worstelingen op de broer en zussenrij zou moeten vertellen dan zou ik dat aan de hand van een verhaal doen. Het heet De jongen die zijn naam moest verdienen een overgeleverd Indianenverhaal te lezen in Het Helende Verhaal van Joke Goudswaard en Wibe Veenbaas. Omdat het zo’n mooi verhaal is, deel ik het graag hier met je.
De jongen die zijn naam moest verdienen.
Dit verhaal gaat over oude tijden waarin rituelen nog hun plek hadden en over een jongen, die Jongen heette. Hij had deze naam gekregen omdat zijn vader Grijze Arend bij zijn geboorte zo blij was dat hij een jongen was. Net zoals zijn vriendje Sneeuw, omdat de eerste sneeuw viel in de nacht dat hij geboren werd.
Nu was het bijna zover. Jongen draaide in de nacht van zijn ene op zijn andere zij. Hij kon niet slapen van de spanning. Morgen, morgen mocht hij net als de andere jongens van twaalf, bijna dertien, met zijn vader mee op bizon jacht. Dan zou hij zijn werkelijke naam verdienen. Maandenlang had hij ernaar uitgekeken om zijn eerste bizon te schieten. En dan het mooiste. ’s Avonds bij het kampvoor, met alle leden van de stam eromheen, kreeg hij zijn nieuwe naam.
Jongen reikte verlangend naar zijn pijlenkoker en boog, die op de grond vlak naast zijn matjes in de wigwam lagen. Morgen… De nacht duurde lang. Je kent dat wel, zo’n nacht die eindeloos duurt, omdat je niet in slaap kunt komen. Zo lang duurde het. Eindelijk kwamen de eerste zonnestralen. Door de kleine opening van de tent zag Jongen de voeten van zijn vader verschijnen. ‘Kom, het is tijd’ zeiden de voeten.
Voor de tent stond Grijze Arend met strakke ogen en een rechte rug, zoals alleen vaders dat kunnen. Hij zei niets. Jongen ging in zijn voetstappen vlak achter hem staan, net als hij met strakke ogen en een rechte rug. Hoe anders waren de ogen van zijn moeder Zij die langs de Hemel loopt. Haar ogen keken zoals alleen moeders dat kunnen. Warm en verwachtingsvol:’ Je kunt het jongen…’ Snel stopte ze hem nog een paar maïskoeken toe. Jongen kreeg er nauwelijks iets van binnen. Ze zwaaide hem uit en keek hem glimlachend na. Vanavond zou hij terugkeren als jager.
Jongen liep vlak achter zijn vader in hetzelfde tempo. Hij probeerde zijn passen net zo groot maken als de zijne. Nier ver van hen vandaan liep Sneeuw, vlakbij zijn vader. ‘Hé Jongen!’ riep Sneeuw, ‘hé Sneeuw!’ riep Jongen. Het schalde over de heuvels. Ze wisten allebei precies wat ze hiermee bedoelden. Toen verloren zij elkaar uit het oog.
De tocht ging over hoge heuvels, diepe groen dalen en kleine riviertjes met grote keien erin, tot ze op een punt kwamen waar Grijze Arend zijn vaart minderde en halt hield. Zwijgend wees hij op de vlakte onder hen. Daar…. Jongen zag een grote stofwolk. Dáár was een kudde met bizons. De scherpe, ervaren ogen van de Grijze Arend zagen het beest waarop hij moest schieten: een prachtige roodbruine bizon. Met trillende vingers spande Jongen zijn boog en legde aan. Grijze Arend knikte. Nu! Net toen Jongen zijn pijl af wilde schieten, zag hij iets bewegen in het hoge gras achter de bizon. Hij aarzelde en liet zijn boog naar beneden zakken. Hij schoot niet.
Was de heenweg al lang geweest, de terugweg duurde eindeloos. Jongen zei niets, net zo min als Grijze Arend. Het was doodstil onderweg. De schouders van Jongen hingen moederloos omlaag. In zijn buik krampte het. Hij had geen bizon geschoten, alles was voor niets geweest!
Vlakbij het kamp zag hij Sneeuw lopen, trots als een pauw. Zij die langs de Hemel loopt stond al naar hem uit te kijken. Jongen wendde zijn blik beschaamd af. Snel kroop hij in zijn wigwam. Weg van iedereen. Zijn kop onder zijn slaapmatje, het liefst wilde hij onder de grond verdwijnen. Hij hoorde hoe het grote vuur werd opgebouwd, hoe de trommels in een kring werden gezet, het geluid van de eerste tamtam.
Al die tijd lag Jongen in zijn tent triest voor zich uit te kijken. Deze avond zouden alle jongens van twaalf, bijna dertien hun nieuwe naam krijgen, behalve hij. Alle stamleden zouden trots naar ze kijken behalve naar hem. Zo maalde het in zijn hoofd. Opnieuw verschenen de voeten van Grijze Arend voor de tentopening. ‘Kom, het is tijd’, zeiden die voeten. Jongen stond op.
Die avond bij het grote kampvuur lieten de trommen hun ritmische klanken horen. In de kring van de stam zat Jongen stil naast Grijze Arend, zijn blik omlaag. Toen stond de vader van Sneeuw op en sprak vol trots:’Mijn zoon Sneeuw was moedig vandaag. Hij doodde een bizon met zijn krachtige, snelle pijl. Voortaan zal hij Bizonjager heten.’ Terwijl zijn vriend om het vuur danste boog Jongen zijn hoofd nog dieper omlaag.
Toen voelde hij dat zijn vader opstond. Terwijl het doodstil werd, sprak Grijze Arend luid: ‘Ja, het is waar, elke stam heeft jagers nodig. We moeten soms dieren doden voor ons voortbestaan, nadat we hen dank gezegd hebben, omdat ze hun leven voor ons geven. Niet iedereen is voorbestemd om jager te worden. Mijn zoon Jongen was moedig vandaag. Hij spande zijn boog, legde de pijl aan en doodde niet. Hij had oog voor het kleine bizonkalf achter de moederbizon. Zijn hart hield de pijl tegen.
Een stam heeft niet alleen jagers nodig, een stam heeft ook genezeres nodig. Mijn zoon Jongen heeft gekozen voor het pad van de wijsheid. Hij wil het leven van andere schepselen sparen. Van nu af aan zal hij Bizonbroeder heten. Later zal hij een groot genezer zijn. Zo zij het.’
Ik weet nog goed hoe ik ademloos in de kring naar dit Helende Verhaal zat te luisteren, verteld door Joke – de verhalenvertelster aller verhalenvertelsters. Aan het einde liepen de tranen over mijn wangen. Ik was diep geraakt door een naam die plek gaf aan datgene waarin ik me, als zusje van een super getalenteerde broer, zo vaak niet gezien had gevoeld.
Thuiskomen op mijn eigen plaats van bestemming
Dit gemis blijft een kwetsbare plek in mij en soms als die weer wordt aangeraakt – in de context van ons gezin van herkomst of in andere horizontale relaties, zoals vriendschappen of werk – denk ik terug aan dat moment in de kring met Joke. Dan voel ik weer het thuiskomen op mijn eigen plaats van bestemming: mijn plek, de enige plek die precies de juiste is. Met een broer die precies de juiste is. En met ouders die precies de juiste zijn.
Spanningen gaan zelden over het hier en nu
Worstel jij met jouw plek in de broer en zussenrij? Herken jij je in een van de eerder genoemde patronen en ben je op zoek naar meer ruimte en beweging in de relatie? In een familieopstelling wordt duidelijk dat deze spanningen zelden alleen over het hier en nu gaan. Ze zijn verbonden met de plek die ieder in het gezin innam en met de dynamieken die daaruit voortkwamen. Wanneer dat zichtbaar wordt, ontstaat er ruimte. Je ervaart hoe het is om echt op je eigen plek te staan, je krijgt helderheid over wat van jou is en wat van de ander. Je ziet hoe je huidige worsteling terug te voeren is naar wat je aantrof in je gezin van herkomst – en hoe het antwoord van je broer of zus daarop zijn eigen vorm kreeg. Zo wordt voelbaar hoe alles samenhangt en waarom het zich telkens opnieuw laat zien in je leven van nu.
Meedoen?
Kijk op de agenda wanneer de eerstvolgende workshop plaatsvindt. Uiteraard ben je ook welkom met een ander thema. Voorafgaand aan de workshop hebben we een kort gesprek om je vraag door te nemen of helderder te krijgen.
Heb je vragen? Bel gerust!
Staat er geen datum bij waarop je kan? Dan organiseer ik graag rondom jouw vraag een nieuwe workshop. Mail of bel en dan maken wij een oriënterende afspraak.